HILDE ORYE
  • Home
  • Galerij
    • Aquarelpotlood
    • Aquarellen
    • Inkttekeningen
  • Workshops
    • Workshops TGROM
    • Workshops GUM, Gent
    • Diverse locaties
    • Online cursussen
    • Contacteer mij
  • Opdrachten
  • De Faun
  • Over mezelf
    • Vroegere werken
  • Webshop
  • Privacyverklaring

Gesloten compositie versus open compositie

4/22/2020

1 Comment

 

-of- hoe ik onverwachts een reisje naar Japan maakte

Foto
Redouté (18de-19de eeuw), gesloten compositie
​Een voorwerp tekenen is één ding, maar je voorwerp op zó een manier afbeelden dat de toeschouwer geboeid blijft kijken is een ander. Compositie speelt hierbij een belangrijke rol en aanvankelijk wilde ik het verschil duidelijk maken tussen een gesloten en open compositie in botanische tekeningen, maar dit leidde mij naar een interessante vraag: Waarom nam de open compositie zijn intrede op het einde van de negentiende eeuw, terwijl de gesloten compositie voordien de alleenheerschappij had?
Wanneer men botanische tekeningen doorheen de eeuwen bekijkt, dan valt het op hoe de gesloten compositie eeuwenlang werd toegepast. Tot voor de twintigste eeuw was de gesloten compositie de norm, niet enkel omdat de uitgevers dit formaat het meest geschikt vonden voor drukwerk, maar simpelweg ook omdat het de traditie was. Kenmerkend voor een gesloten compositie is dat de aandacht van de toeschouwer naar het centrum van het beeld getrokken wordt. Het voorwerp past mooi in het gegeven frame en er is niets dat buiten dit frame valt. In één oogopslag kan de toeschouwer alle belangrijke kenmerken overschouwen. Deze manier van compositie is statisch en de toeschouwer ondervindt rust wanneer hij naar het beeld kijkt.
​Einde negentiende eeuw kwam hierin langzamerhand verandering. De open compositie deed haar intrede in de kunst en ook in botanische tekeningen. In een open compositie wordt het voorwerp zo geplaatst dat het gedeeltelijk verdwijnt achter het frame. De close up laat de ogen van de toeschouwer dwalen naar de grenzen van het beeld toe. In tegenstelling tot de gesloten compositie krijgt men een dynamisch gevoel wanneer men naar het werk kijkt.
Volgens Rita Parkinson, schrijver van het fantastische boek “The botanical art files, Composition, the design guide for botanical artists”, ligt de oorzaak bij de invloed van de fotografie, de film en de hedendaagse kunst, maar eerlijk gezegd vind ik dat zij er zich nogal vlug van afmaakt op deze manier.
Volgens mij ligt de oorsprong van deze verandering in de populariteit van de Japanse kunst einde negentiende, begin twintigste eeuw.  Belangrijke kenmerken van de traditionele Japanse kunst zijn:
  • Afbeelden van onderwerpen uit de natuur zoals zoogdieren, insecten en planten
  • Asymmetrie in de compositie waardoor het onderwerp niet in het midden moet staan
  • Tweedimensionaal, effen achtergrond
  • Geen centraal verdwijnpunt in het perspectief
  • Veel versiering
  • Geen schaduwen
  • Eenvoudig kleurpalet
Foto
Hiroshige (18de-19de eeuw), open compositie
​Met de Meiji restauratie in 1868 sloot Japan een lange periode van isolement af en opende zij haar grenzen voor het Westen. Samen met handelswaren importeerden de Japanners fotografie en westerse printtechnieken. In ruil kwamen veel Japanse kunst artefacten (keramiek, ukiyo-e prints, textiel…) naar het Westen waar ze razend populair werden. Het begin van de Japonaiserie.
Er ontstond een verzamelgekte van Japanse kunst. Vooral ukiyo-e, waarvan de eerste exemplaren getoond werden in Paris, werden enorm populair. In 1856 stootte de Franse artiest Bracquemont op een kopie van het schetsboek Hokusai manga dat als inpakpapier gebruikt was voor een lading porselein! Dit was het beginpunt van zijn verzameling Japanse kunst die hij maar al te graag deelde met zijn vrienden. De beeldende kunst uit Japan werd zo een gemeenschappelijk thema. De rijkversierde Japanse houtsneden van Hiroshige (1797–1858) beïnvloedden een aantal westerse ontwerpers. Bewijs hiervan zijn de organische vormen van de art nouveau. In 1862 opende ” La porte Chinoise” in Parijs zijn deuren in de rue de Rivoli. Het was een winkel die diverse Japanse goederen verkocht en bijzonder populair was bij de Franse artiesten. Eén van de trouwe klanten was de Franse schilder Degas. Hij nam niet zozeer de thema’s over, maar wel de Japanse esthetiek: lange verticale formaten, asymmetrische compositie (ha, rinkelt er al een belletje?), vogelperspectief, open ruimtes en een focus op decoratieve motieven.
Vanuit Parijs verspreidde zich de liefde voor de Japanse esthetiek naar de rest van Europa. Whistler, een Britse kunstenaar, speelde een heel voorname rol in het introduceren van Japonaiserie in Engeland. Tijdens zijn jaren in Parijs verzamelde hij een prachtige collectie Japanse kunst die hij in 1859 meenam naar Engeland. In 1862 had er in Londen een internationale tentoonstelling plaats met een Japanse sectie die beschouwd wordt als één van de meest invloedrijke gebeurtenissen wat betreft de Japanse kunst in het Westen. Vooral de decoratieve kunst werd beïnvloed door de stijlkenmerken van de Japanse kunst en wordt aangeduid met de term anglo-japanse stijl. Een mooi voorbeeld van deze invloed zijn de schilderijen en designs van Whistler in zijn Peacock Room.
Foto
De Peacock Room van Whistler, bron Wikimedia
Foto
Edward J. Detmold, open compositie
​De beroemde Britse Detmold tweeling, Charles Maurice en Edward Julius (1883° - 1908/1957) werden beïnvloed door Hiroshige en Hokusai. Zij waren het die in 1903 zestien buitengewoon mooie aquarellen voor Kipling’s Jungle Book tekenden. Ze waren toen beiden 20 jaar oud. 
Foto
De slang uit Jungle Book, Detmold tweeling
​Hun werken waren enorm geliefd bij het Britse publiek en hadden een grote invloed op de compositie van botanische tekeningen in de daaropvolgende jaren, o. a. ook op deze dame waarvan ik vorig jaar een mooi boek cadeau kreeg: Jeannie Foord (data onbekend). ‘Decorative plant and flower studies for the use of artists, designers, students & others’, (London B.T. Batsford; New Your, C. Scribner’s Sons, 1906). Het boek bevat 40 gekleurde prenten met beschrijving van de plant met meer dan 400 studies van de groei en details. Het is een schoolvoorbeeld van Art Nouveau en van de incorporatie van de Japanse esthetiek in de botanische kunst. Over de kunstenares en auteur is héél weinig geweten.  Vrouwelijk kunstenaars kregen in deze periode sowieso maar weinig aandacht in tegenstelling tot hun mannelijke collega’s. Zij was een Schotse, afkomstig van Glasgow en was werkzaam einde 19de en begin 20ste eeuw.
Haar werk heeft enorm veel kenmerken gemeenschappelijk met de Japanse ukiyo-e prenten. De beelden zijn simpel van vorm, hebben duidelijke omtreklijnen en verdwijnen buiten het frame. Haar manier van signeren doet denken aan de stempels die de Japanse kunstenaars gebruikten. Voor de reproductie van haar tekeningen deed zij beroep op de Parijzenaar E. Greningaire die bedreven was in de lithografie en pochoirdruk. (1) 
Foto
ukiyo-e van Hiroshige
Foto
Litho van J. Foord
​J. Foord’s tekeningen werden geprezen voor hun detail en accuratesse en waren bedoeld voor studenten en ambachtslieden die decoratieve voorwerpen maakten. In haar voorwoord zegt zij dat het niet haar bedoeling was om een realistische weergave van de plant te geven. Met het oog op praktische doeleinden wil zij de sterkte, de delicatesse en het karakter van de vorm naar voor brengen door een simpele lijnvoering, maar wel met behoud van de charme en bevalligheid van de plant zelf.
Zij is maar één van de velen die een nieuwe weg bewandelde. Natuurlijk bleef de gesloten compositie een zeer grote rol spelen, maar de open compositie had zich een plaatsje in de kunstwereld kunnen veroveren en ook in de wereld van de botanische kunst.
Foto
​Opmerking
  1. Methode waarbij gebruik gemaakt wordt van stencils uitgesneden in zinkplaten. De kleuren worden met de hand aangebracht door middel van een kwast. 
Bronnen
Jeannie Foord, "Decorative Plant and Flowerstudies", London B.T. Batsford, 1906
Neuer, J.C. Sliedrecht Smit, "Ukiyo-e 250 jaar Japanse prentkunst", Reed business
Rita Parkinson, "The botanical art files, Composition", Rita Parkinson, 2015
​Wikimedia
1 Comment

De weg naar meesterschap: talent of noeste arbeid?

11/29/2019

1 Comment

 
Er was een leerkracht die zijn studenten fotografie in twee groepen verdeelde. De eerste groep werd bij de examens  beoordeeld op de hoeveelheid foto’s die ze genomen hadden. De tweede groep werd beoordeeld aan de hand van hun beste werk. De eerste groep ging meteen aan de slag en probeerde zoveel mogelijk foto’s te nemen. De leerlingen uit de tweede groep dachten maandenlang na over een concept dat de leerkracht van zijn sokken zou blazen. Op het einde van het schooljaar werden de portfolio’s van de leerlingen beoordeeld. Het zal geen verrassing zijn dat de leerlingen die tijdens het ganse jaar massa’s foto’s genomen hadden, de mooiste resultaten behaalden.
Da Vinci heeft het ooit zo gezegd: ‘Mensen prijzen mij om mijn talent, maar ze zien niet de jaren van hard werk die eraan vooraf zijn gegaan’
Foto
Dikwijls maken wij er ons vlug vanaf door te zeggen dat we geen talent hebben. Wat we bedoelen is ‘Ik heb geen zin om er veel tijd in te steken’ en toch is dát hetgeen je moet doen wil je vooruit geraken. Elke dag oefenen is een kwestie van goede gewoontes kweken. Maar hoe doe je dat?
Dit zijn een paar tips:
​

- richt een plekje in voor jezelf: Installeer een gezellige hoek met inspirerende dingen rondom je waar je tot rust komt. Leg het tekenmateriaal klaar zodat je werktafel je als het ware uitnodigt om creatief bezig te zijn.

- verzamel tijdens je wandelingen mooie, interessante stukjes natuur. Je moet niet altijd grote projecten doen. Vul je tekenblad met prachtige kleine dingen: zaaddozen, een takje met mos, één bloemhoofdje, een rozebottel,…. Het maakt niet uit wat je tekent, zolang je er maar plezier in hebt en je onderwerp handelbaar is.
Foto
- beslis elke dag om iets miniems te doen: het gebeurt dat ik niet echt zin heb om te tekenen, ook al nadert er een deadline. Het geheel kan soms overweldigend zijn en daarom neem ik mij voor een héél klein deel van het geheel te doen, vb. één kroonblaadje van een Dahlia. Voor ik het weet ben ik dan totaal geabsorbeerd door mijn werk en ben ik 2 uur en een halve bloem verder.

- koppel je nieuwe gewoonte om te tekenen aan een andere gewoonte die je al hebt: bijvoorbeeld: elke avond eet je natuurlijk je avondmaal. Maak er een gewoonte van om dadelijk na je avondmaal minstens een half uurtje te tekenen. Je zou ook kunnen tekenen tijdens het nieuwsbericht. Wie heeft er eigenlijk baat bij om elke dag miserie te aanhoren als er zoveel moois rondom je is?

- bewaar je tekeningen en maak er een soort tijdlijn van. Niets is zo stimulerend als het zien van je eigen vooruitgang. Wanneer je elke dag (of regelmatig) tekent zal je verbaasd zijn hoe snel je bijleert en verbetert.

Is het OK om een keertje over te slaan? Mmm…. Hangt ervan af. Het gevaar is natuurlijk dat je van die éne keer twee keer maakt, van twee keer drie keer. Eén keer overslaan is geen ramp als je daarna terug de draad oppikt want we weten het allemaal: ‘Oefening baart kunst.’ Dus ga ervoor!
1 Comment

Warme en koude kleuren

10/6/2019

3 Comments

 
Tijdens de workshops aquarel heb ik het dikwijls over warme en koude kleuren. Het verschil blijkt dikwijls niet duidelijk te zijn voor beginners. Daarom een woordje uitleg.

Warme kleuren, zoals rood, geel en oranje, doen ons denken aan warme dingen, zoals de zon of vuur.
Koude kleuren, zoals blauw, groen en magenta doen ons eerder denken aan koele dingen, zoals water of gras.
Wanneer je primaire kleuren (rood, geel en blauw) met elkaar vergelijkt,is het verschil in warmte duidelijk.

Foto
Plaats je 2 verwante kleuren naast elkaar zoals cobaltgroen en sapgroen, dan is het onderscheid soms minder evident voor beginners. Dan moet je kijken naar de ondertoon: heeft het groen een eerder blauwe ondertoon (zoals cobaltgroen), dan heb je te maken met een koude kleur. Heeft het groen daarentegen een gele ondertoon (zoals sapgroen), dan heb je een warme kleur. 

Elke kleur heeft wel warme en koude tinten:
Warm geel: Indiaas geel, diep chroomgeel, Cadmium geel zijn sterke kleuren die neigen naar een warm oranje tint.
Koud geel: citroengeel, titaangeel, aureolin geel zijn geeltinten die een groene ondertoon hebben.

Foto
Warm rood: vermiljoen, scarlet lake, pyrol rood, Cadmium rood licht hebben een gele ondertoon
Koud rood: Alizarin Crimson, madder dieprood, Quinadricone Crimson hebben een blauwe ondertoon.


Warm blauw: Ultramarijn, franse ultramarijn, winsor blauw (rode variant) hebben een warme ondertoon.
Koud blauw: Pthalo blauw, Winsor blauw (groene variant), Cerulean blauw hebben een groene ondertoon.

Warm groen: Green Gold, Sap groen hebben een gelige ondertoon
Koud groen: cobalt groen, Phtalo groen hebben een blauwe ondertoon​​
Foto
Aan de linkerkant bevinden zich de koude varianten, aan de rechterkant bevinden zich de warme varianten van de kleuren geel, blauw en rood.
Hoe zit het met mengen van kleuren?
Wanneer je kleuren van dezelfde kleurtemperatuur mengt, krijg je een heldere kleur. Je kan bijvoorbeeld een warm geel mengen met een warm rood en dan krijg je een mooi warm oranje.
Warme kleuren springen eruit, terwijl koele kleuren de neiging hebben om op de achtergrond te blijven.
Dit is de reden waarom je in een compositie koele kleuren neemt voor delen die in de schaduw liggen.
Een beeld dat zowel koude als warme kleuren bevat krijgt meer contrast en diepte. 

 ​
Foto
Links hebben we Lemon Yellow (koele kleur gemengd met een koel blauw (Cerulean blauw) links en een warmer blauw (Cerulean red shade) rechts. Aan de rechterkant hebben we een warm blauw (Winsor blue red shade) gemengd met een koel geel (Lemon yellow) links en met een warm geel (Cadmium yellow) rechts.
Foto
Het warme blauw en koele rood liggen in dezelfde kwadrant van de kleurencirkel. Wanneer je ze mengt, krijg je een rijk purper.Meng je een warm blauw met een warm rood, krijg je meer aardse tinten.
Foto
Dit is maar een summiere uitleg over de warmte van een kleur, maar wil je meer weten over kleuren en hun interacties met elkaar, dan zijn dit interessante boeken om in huis te halen:
Interaction of color - Joseph Albers
Color - Betty Edwards
Making color sing - Jeanne Dobie
Kleurenleer - Johannes Itten

3 Comments

Oude groenten - De radijs

9/22/2019

5 Comments

 
Foto
​Waarschijnlijk komen radijzen oorspronkelijk uit Azië (China en Japan), maar reeds in de Oudheid waren ze geliefd bij de Egyptenaren en de Grieken. Plinius de Oudere vertelt dat de radijs bij de Grieken hoger stond aangeschreven dan de biet en de raap omdat een gouden radijs werd geofferd in de tempel van Apollo terwijl er maar een zilveren model van de biet en een loden model van de raap werden geofferd. (1)
Radijzen werden door de Grieken ook voor minder sacrale doeleinden gebruikt. Mannen die van overspel beticht werden kregen door de bedrogen echtgenoot een radijs ingeplant, daar waar dat je het minst graag hebt. Ik wil niet over dit topic uitwijden, maar je moet toch bedenken dat radijzen in die periode de grootte hadden van een kleine raap….  Helemaal niet prettig dus... (2)





​Meer aangename informatie over deze kleine groente vinden we in het Kruydenboek van Dodoens (16de eeuw)
Dodoens geeft een uitvoerige beschrijving over ‘Dan Radijs’ op pagina ccccccxxxvii oftewel pagina 637.

Foto
Foto
"Er zijn wilde en tamme soorten", beschrijft Dodoens.
Van de tamme radijs (Raphanus sativus) zijn er twee soorten: de eerste met rondachtige wortels die maar zelden in Brabant voorkomt en de tweede soort met een lange wortel die algemeen voorkomt. Deze laatste heeft grote, brede, ruwe, diep ingesneden bladeren zoals bij de raap. De stelen zijn rond en de raap bloeit met veel lichtpaarse kruisvormige bloempjes. Het zaad is bruin en rond en zit in kleine hauwtjes. De wortel is één tot anderhalve voet lang en is zowel van binnen als van buiten wit van kleur. Van smaak is hij scherp. De andere tamme variant heeft een dikke wortel zoals de Steckraap en is scherper en sterker van smaak. Deze tamme radijs  moet elk jaar opnieuw in de moestuin gezaaid worden tijdens de braakmaand (juni) en hooimaand (juli). Hij wordt in de winter geoogst.
De wilde soort (Raphanus sylvestris) (ook knopherik (Raphanus raphanistrum) genoemd) heeft grote, brede bladeren. De stelen zijn lang en dik en bovenaan groeien kleine witte kruisvormige bloempjes. Het zaad zit in kleine hauwtjes. De wortel is lang en dun en zeer scherp van smaak (bijt in de tong). Daarom wordt hij dikwijls fijn gevijzeld en als mosterd bij de maaltijd gegeten. (een beetje vergelijkbaar met het gebruik van de daikon in Azië) De wilde radijs wordt geplant, maar is in tegenstelling tot de tamme radijs méérjarig. Hij bloeit in juni en kort daarop leveren ze zaad.
De waterradijs (Raphanus palustris) heeft bladeren zoals van de tamme radijs, maar niet zoveel en dieper uitgesneden. De stengel is ongeveer één voet hoog. Hij bloeit met kleine, kruisvormige gele bloempjes en het zaad zit in kleine hauwtjes. De wortel is ongeveer 1 vinger dik. De smaak is zoals die van een jonge radijs, soms sterker. Hij groeit aan de rand van stilstaand en lopend water. Ook de waterradijs bloeit in juni.

Foto
In zijn uitleg over het gebruik van de radijs zegt Dodoens dat de wortels van de radijs niet zo een grote voedingswaarde hebben, maar veeleer als medicijn gebruikt worden. Ook de jonge steeltjes van de radijzen worden gegeten met olie en azijn en hebben een iets grotere voedingswaarde dan de wortel zelf.
De wortel van de Radijs is smakelijk, maar geeft oprispingen en maakt winderig.
Het eten van radijzen voor de maaltijd geeft oprispingen, na de maaltijd radijzen eten bevordert de spijsvertering.
Een siroop van wortels en azijn doet braken en jagen de fluimen af. Het scherpt tevens de zinnen en het verstand.
Een aftreksel van radijzen is water afdrijvend en zou helpen bij het oplossen van nierstenen. Het rijpt ook de fluimen in  de borstkas.
De wortels zijn een goed antigif wanneer je de verkeerde paddenstoelen of ander ‘venijn’ gegeten hebt. Ze wekken ook de maandstonden op.
De wortels gemengd met honing worden gebruikt bij hardnekkige zweren en bij haaruitval!
Het zaad van de radijs is ook een braakmiddel. Een siroop van zaad, honing en azijn zou wormen in het lichaam doden en verjagen. Zaad en azijn verkleinen de milt.
De werking van de wilde radijs zou hetzelfde zijn als die van de tamme, enkel krachtiger nog. (3)


Ook al vinden we tegenwoordig maar een paar soorten in supermarkten terug, toch kunnen veel oude soorten nu nog opgekweekt worden uit zaad, te vinden bij gespecialiseerde zaadhandelaars in oude soorten. (4)

Foto
zwarte rammenas
Foto
De ijskegel
Foto
Radijs 'Scarlet Globe'
Foto
De chinese roze
Foto
Radijs 'French breakfast'
Foto
De zwarte spaanse ronde radijs (zwarte rammenas) zou naar verluid het oudste europese ras zijn dat terug gaat tot in de 15de eeuw.  Van kleur is hij zwart, vanbinnen mooi wit. Hij is scherp van smaak. Zijn jongere neefje, de zwarte spaanse lange zou pas in de 18de eeuw op het toneel verschenen zijn.
De Chinese roze zou door een Jezuïet van China naar Europa gehaald zijn in de 19de eeuw. Het is een wintersoort die gezaaid word in juli en augustus.
De ijskegel is een radijssoort die redelijk goed tegen de warmte kan. Ze hebben een milde smaak en worden het best geoogst als ze niet te oud zijn.
De French breakfast is een mooi ogende, slanke tweekleurige radijs, een vroege soort met een milde smaak.
De Scarlet globe lijkt op een kerstomaatje, groeit snel en is mild van smaak.  
Foto
(1), (2) Forgotten fruits door Christopher Stocks, p 187
(3) Krydenboek van Dodoens, p. 637 – 641
(4) https://www.steenberghen.be/winkel/groentenzaden/rammenas/ramenas-ronde-zwarte-2580/
https://www.semaille.com/696-radis
https://www.zadenkopenonline.nl/tuinzaden-bestellen-groenten/radijs/index.html
5 Comments

Kenmerken van een botanisch tekenaar en illustrator

8/27/2019

9 Comments

 
Foto
Foto
Foto
Foto
Foto
Met welk thema kan ik nu best mijn nieuwe blog inwijden? Laat ons beginnen met de kunstenaar zelf, dacht ik, want alles start bij hem/haar. Ikzelf ben nu 6 jaar bezig met botanisch tekenen en heb eens nagedacht over welke kwaliteiten je moet beschikken om botanisch tekenaar te worden. Here we go…

Liefde voor de natuur: ‘Bwa’, hoor ik je denken, “dat spreekt toch voor zich!” Inderdaad! Maar de interesse van een botanisch tekenaar beperkt zich niet enkel tot de traditionele bloemen die je in een vaas zet, ook het nietigste onkruid of de grassen behoren tot je muzes. En wanneer je tekent merk je dat ook ‘saaie’ planten ingenieuze systemen en een intrinsieke schoonheid hebben.
​
Nieuwsgierigheid: Een gezonde dosis nieuwsgierigheid helpt je om meer over je planten te weten te komen. Er zijn zoveel dingen die we als gewone leek niet weten. Je kan je hele leven lang nieuwe dingen leren als je planten tekent. Die nieuwsgierigheid komt van pas wanneer je wandelt: Kijk écht naar de natuur rondom je. Wees je bewust van alles wat je ziet. De berm is geen groene vlek, maar een verzameling van kruiden en grassen: peentjeskruid, wikke, brandnetel, distel, ruw beemdgras, grote vossenstaart, leewebek, …. Noem maar op! (tenminste als de gemeente de berm niet gemaaid heeft) Ook wanneer je je plant geplukt hebt, bestudeer je ze best tot in de kleinste details. Ik geef mijn cursisten altijd de goed raad om niet meteen aan het tekenen te slaan, maar eerst rustig de plant langs alle kanten te observeren. Probeer zoveel mogelijk informatie te verzamelen over je onderwerp, zowel door eigen observatie als door het lezen van boeken en artikels. Pas dan leer je je plant echt kennen en kan je ze zo natuurgetrouw mogelijk tekenen.

Vakkennis: Dit hangt nauw samen met het vorige kenmerk. Niet enkel vakkennis over planten is belangrijk, maar ook tekentechnieken horen hierbij. Ikzelf heb veel geleerd van het boek: “Drawinglessons from the great masters” ( Robert Beverly Hale) met leerrijke analyses van de tekeningen door oude meesters. Het was een boek dat mijn leerkracht tekenen aan het KASK aanraadde en ik heb het altijd beschouwd als één van de beste boeken over tekentechnieken. Wanneer je tekent moet je niet enkel een goede lijntekening kunnen maken, maar ook schaduwtechnieken horen hierbij. Als student heb ik veel bijgeleerd door het kopiëren van potloodtekeningen van oude meesters. Naast tekentechnieken moet je ook bedreven zijn in aquareltechnieken. Kleurenkennis is bijvoorbeeld essentieel als je botanisch tekent want de kleuren die je gebruikt moeten natuurgetrouw zijn. Daarnaast moet je gebruik maken van verschillende technieken: nat-in-nat en droogtechnieken. Soms vertellen de cursisten mij dat ze ontmoedigd waren door de reacties van hun huisgenoten wanneer ze trots hun tekeningen toonden na de eerste les. Vaak kregen ze de opmerking ‘Is dat alles wat je vandaag gedaan hebt?’ Maar het probleem ligt zeker niet bij de cursist. De huisgenoten zien enkel het resultaat, niet het proces dat de cursist doorloopt. Ze zien niet dat de cursist bezig geweest is met het opbouwen van vakkennis. Dit merken ze pas als de workshop afgelopen is.

Pietje precies: Vroeger (en nu nog)  waren (en zijn) botanische tekeningen een grote hulp voor plantkundigen. Je tekening moet accuraat zijn en tot in de kleinste details kloppen. Plantkundigen en tekenaars werken nauw samen. De tekenaar leert wat de specifieke kenmerken zijn van de plant, maar andersom gebeurt het soms dat een opmerkzaam tekenaar kenmerken noteert die de wetenschapper nog niet was opgevallen. Daarom is het observeren van je plant van enorm belang vooraleer je aan je tekening begint: Je kijkt letterlijk naar alles: de stengel, de vasthechting van de bladeren, de vorm van de bladeren, bladrand, bladtip, nervatuur, groeiwijze, vorm van de bloem, voortplantingsorganen,…. Pas wanneer je het gevoel hebt dat je je plant door en door kent, kan je aan je tekening beginnen.

Geduld en toewijding: Ik neem deze twee samen omdat het éne niet zonder het andere kan. “Geduld is een schone deugd” en zéker voor botanisch tekenen! Een beginnend tekenaar moet op de eerste plaats geduldig zijn techniek opbouwen, want je wordt geen botanisch tekenaar van vandaag op morgen. Het vergt passie en toewijding. Workshops zijn een goede manier om technieken aan te leren en bij te schaven, maar het echte werk moet thuis gebeuren. Ik merk dat cursisten die er door gebeten zijn en er thuis ook mee bezig zijn veel sneller vooruit gaan. Dit is weer een ding dat voor zichzelf spreekt, maar heel veel mensen vergeten het. Ook het tekenen zelf vergt geduld. Het is een vorm van slow drawing en hoe gedetailleerder je te werk gaat, hoe meer tijd erin kruipt. In een uitgewerkte aquarel steekt er toch al vlug 30 uren (en langer) werk.
​
Een hele boterham, die kwaliteiten! Maar laat je daardoor niet afschrikken. Het allerbelangrijkste is dat botanische tekenaars gewoon lieve, gezellige mensen zijn die met één been in de natuur staan en met het andere aan de tekentafel zitten: The best of both worlds!
 
 
 
9 Comments
Forward>>

    Auteur

    Gepassioneerd door de natuur: Observeer ze goed en je ontdekt wonderlijke dingen.

    Archieven

    December 2024
    September 2024
    Juli 2024
    Mei 2024
    Januari 2024
    September 2023
    Mei 2023
    Februari 2023
    Mei 2022
    April 2020
    November 2019
    Oktober 2019
    September 2019
    Augustus 2019

    botanisch tekenaar

    Alles
    Alles
    Apium Repens
    Aquareltechnieken
    Blauwe Bremraap
    Bokkenorchis
    Botanische Illustraties
    De Botanische Kunstenaar
    Embossing
    Flora Van Bredene
    Gele Lis
    GUM
    Illustratieopdrachten
    Iris Pseucadorus
    Kleurpotloden
    Kruipend Moerasscherm
    Oude Groenten
    Plantentuin Gent

    RSS-feed

Proudly powered by Weebly
  • Home
  • Galerij
    • Aquarelpotlood
    • Aquarellen
    • Inkttekeningen
  • Workshops
    • Workshops TGROM
    • Workshops GUM, Gent
    • Diverse locaties
    • Online cursussen
    • Contacteer mij
  • Opdrachten
  • De Faun
  • Over mezelf
    • Vroegere werken
  • Webshop
  • Privacyverklaring